De regeling voor de gratis voorschool in de gemeente Hulst houdt per 31 december op. CDA-Hulst en Algemeen Belang Groot Hulst hebben daarop een motie ingediend om de financiering ook de komende jaren veilig te stellen, totdat de Rijksoverheid in 2029 gratis kinderopvang mogelijk gaat maken. “De Zeeuws-Vlaamse voorschool draagt aantoonbaar bij aan de ontwikkeling van jonge kinderen en kansengelijkheid”, aldus Dani Bracke (CDA). “Het zou zonde zijn om die resultaten teniet te doen.” De motie werd dan ook unaniem aangenomen.
Uniek is dat de gemeente Hulst hiermee vóór loopt op het beleid van de Rijksoverheid. Dat heeft vooral te maken met de locatie: “Als grensregio concurreert Zeeuws-Vlaanderen met Vlaanderen om inwoners, gezinnen, arbeidskrachten en leerlingen. Juist daarom zijn goede en toegankelijke voorzieningen van belang voor de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de regio”, legt Bracke uit. In België liggen de kosten voor kinderopvang en voorschool voor peuters namelijk veel lager dan hier en dus gebruiken veel ouders liever de voorzieningen over de grens. Het probleem is alleen dat deze kinderen vaak niet meer terugkeren naar het Nederlandse schoolsysteem, terwijl dat voor de bestaanszekerheid van bijvoorbeeld de basisschool in Nieuw Namen juist essentieel is. Kort gezegd: zonder instroom, geen school.
Verlengd tot 2029
Gezien de positieve resultaten van de afgelopen jaren, heeft de gemeenteraad dus nu besloten om ook de komende twee jaar een gedeelte van de kosten op zich te nemen, totdat er een landelijke regeling is, die verwacht wordt in 2029. “We willen een financiële overbrugging voor de komende jaren, waarin ook het Rijk haar verantwoordelijkheid neemt”, aldus Bracke.
Daarnaast hoopt hij op een sterke lobby richting de Tweede Kamer. “We willen samen met de gemeenten Sluis en Terneuzen en in nauwe samenwerking met de kinderopvangsector een werkbezoek voor Tweede Kamerleden en aan Zeeuws-Vlaanderen organiseren, zodat zij in de praktijk kennis kunnen nemen van de Voorschool en met de betrokken partijen in gesprek kunnen gaan over de resultaten, de regionale betekenis en het belang van continuering.”